Ben van Eysselsteijn 60 jaar

Op 22 januari jl., werd Ben van Eysselsteijn, de bekende
roman- en toneelschrijver, journalist en kunstcriticus, op zijn 60e verjaardag
in Pulchri Studio te ’s-Gravenhage op grootse wijze gehuldigd.

Behalve door prominenten uit literaire kring werd deze Drent
„uit heimwee en verlangen” en ereburger van Gieten, van Drentse zijde gehuldigd
door dr. H. J. Prakke, voorzitter van het Drents Genootschap en de heer G.
Nijenhuis, burgemeester van Gieten. Het trof ondergetekende, die met zijn vrouw
ons genootschap vertegenwoordigde, dat de jarige in zijn dankwoord o.m.
opmerkte: „Wat de poolster is voor de zeeman, is Drenthe en in het bijzonder
Gieten voor mij.”

VAN HOLTHOON

Ernst Wiechert en Anlo

Van de fijnzinnige Duitse schrijver Ernst Wiechert (geb.
1887 in Oostpruisen, overl. in Zwitserland, 1950) zijn zo juist enkele novellen
in het Nederlands verschenen onder de verzameltitel „De Vader” b

In zijn woord „ten geleide” schrijft Ben van Eysselsteijn
o.m.:

„In de tijd dat de Gestapo hem, na zijn terugkeer uit
Buchenwalde, bewaakte en bespionneerde, bleef onze correspondentie beperkt tot
brieven van slechts enkele zinnen: ’overdag werk ik in de tuin; ’s avonds ben
ik gast in mijn eigen bibliotheek’, of hij zond mij een spreuk, waarueit ik kon
opmaken met welke literatuur hij zich bezig hield: ’Gib denen die hungern, von
deinem Reis, gib denen die leiden, von deinem Herzen’. Uit Meister Ecke- hart:
’Das schnellste Tier, das euch zur Volkommen- heit tragt, ist Leiden’. Ik zond
hem de woorden uit de kleine Romaanse kerk te Anlo, in Drenthe: ’Non clamor sed
amor sonat in aure Dei’2). Hij antwoordde: ‘Dank für das schone Wort aus der
Dorf- kirche. Es ist bei solchen Geschenken immer, als gehe an einem dunkien
Horizont plötzlich ein Stern auf’. Prakke

x) Ernst Wiechert, De Vader. Delft, Gaade, 1956.

2) ’Niet het rumoer, maar de liefde klinkt in het oor van
God’.

Drentse vertellers

BEN VAN EYSSELSTEIJN

Dorre Grond beschrijft de strijd tussen twee Drentse
boerenfamilies, de Jalvings en de Wubbings, de strijd tussen de leden van die
families onderling en de strijd die elk mens in zich zelf heeft te voeren.
Lammert Jalving stelt zich buiten de lijn van zijn geslacht. Als hij moe en
onrustig rondzwerft (het thema van de vlucht) ontmoet hij de scheper, Rooie
Reinder, de zeener. Aan de rand van de veenpias ’t Hemelriek ontwikkelt zich
het volgende gesprek:

„Zijn oogen zien naar het water, alsof hij tuurt in een
opengeslagen boek, waarvan hij iederen zin leerde verstaan. Hij heeft er lang
over nagedacht. Hij zit hier veel; ’s avonds, om de zon te zien ondergaan en
door de jaren heeft dit water hem stilgemaakt. Het heeft hem geleerd iets van
God te begrijpen; waarlijk begrijpen, net of men met de hand iets gegrepen
heeft en dat voorgoed vasthoudt; lang niet alles, maar wat men ervaren heeft is
eigen. Hij ziet Lammert even aan.

„Dat’s al wa’k hebbe, Lammert, En ik hebbe d’r genog an.”

„Kan ’n mensk dan wat van God begriep’n, Reinder?”

De scheper antwoordt met korte zinnen. Men moet naar binnen
kijken. Men moet niet alles willen. Men moet worden als het water, dat, als het
stil is, alles in zich heeft. Maar als het in beroering komt, breken de
beelden. Dat heeft hij op deze plek zoo geleerd.

Lammert begrijpt hem niet. Dominee zou zeker zeggen dat
Reinder praat als een heiden. Dat wat hij God noemt, heet natuur.

De scheper schudt het hoofd. God is meer dan natuur. Hij
trekt de tasch naar zich toe om de hoozen op te bergen. Als hij weer begint de
praten, klinkt zijn stem zacht, alsof ze van ver over de heide komt. De eene
mensch wordt geboren als Lammert Jalving, de ander als Reinder. Elk mensch kan
alleen in zichzelf wonen en nooit in een ander. Alleen God woont in ons allen
en Hij weet dat.

God woont in wolken en water, in berken en heide, in de
sterren, in de schapen en in de menschen. En omdat Hij weet dat Hij dit alles
is, kan geen musch sterven zonder Zijn wil.

Lammert ziet den scheper aan. Dat van dien musch zegt
dominee ook, maar die zegt het toch anders. En dan vraagt hij, of het waar is
dat roode Reinder een ziener is, of hij meer weet dan anderen.

Er klinkt iets in Reinder’s stem, dat naar teleurstelling
zweemt. Waar de menschen naar vragen is altijd het minst belangrijke. Soms kan
hij een ander in zichzelf voelen. Of zichzelf in een ander. Dan weet hij wat er
met iemand gebeuren gaat, of vroeger gebeurd is. Maar even later valt alles
weg. Bij God valt nooit iets weg, Die kan Zichzelf in alles voelen en alles is
Zichzelf. En daarom weet Hij alles. Ook dat van den musch.

Reinder’s stem wordt zachter. Het is Lammert of de scheper
hard-op denkt, of hij tegen zichzelf spreekt en vergat dat er iemand bij hem
is. Dat komt zeker omdat hij alleen is, iederen dag weer alleen met zichzelf.
Begrijpen doet Lammert hem niet, maar er gaat van den scheper iets uit, dat
vertrouwen geeft.”

Ben van Eysselsteijn is bekend geworden door zijn toneelstukken,
romans en gedichten. Zijn toneelwerk (De Dubbelganger, Gendarm van Europa,
Bazuinen om Jericho) werd in vele landen gespeeld. Zijn romans zijn al even
bekend (zie de bespreking van Verweerde Stenen elders in dit nummer). Zijn
gedichten hebben — enkele als de ballades ’Ooster- moer’ en ’De Ballade van de
Zeven’ daargelaten — weinig de aandacht getrokken. Naast al dit werk schreef
Van Eysselsteijn nog „Naar Breeder Vlucht”, een gedenkboek van de K.I.M., een
Biografie van Fie Garelsen, een essay over E. T. A. Hoffmann en vele kritieken.

Van de schrijvers, die in het Nederlands over Drenthe hebben
geschreven of Drentse motieven in hun werk hebben gebruikt, is Van Eysselsteijn
de beste. Zijn werk is zeer dichterlijk en literair van zeer hoog gehalte.
Typisch Drents is dit werk zeker niet, maar er zijn andere redenen waarom men
het hoog aan moet slaan.

HARM WERNERS